Voedsel
Eten en drinken uit heel Gods Woord: het brood en het koren van elke dag, wijn, melk en olie, vlees en vis, vruchten en kruiden, en de bittere alsem en het gallewater waarmee de profeten oordeel tekenen. Canonieke, apocriefe en Ethiopische vindplaatsen zijn afzonderlijk vastgelegd.
- Alsem
Een uiterst bittere plant, in Gods Woord niet als voedsel maar als beeld: God spijzigt een ontrouw volk met alsem, en verdraaid recht wordt in alsem veranderd.
- Amandelen en noten
Amandelen en andere noten golden als lekkernij en gingen als geschenk mee naar Egypte. De notenhof komt voor in het Hooglied.
- Appelen
Een geurige boomvrucht waarmee de bruid in het Hooglied verkwikt wil worden. Spreuken vergelijkt een woord op zijn tijd met gouden appelen.
- Azijn
Verzuurde wijn, als scherpe drank bij eenvoudig eten gebruikt en voor de nazireër verboden. Aan het kruis wordt Jezus azijn aangereikt.
- Bittere saus
De bittere bijspijs die bij het paaslam en de ongezuurde broden gegeten moest worden, als herinnering aan de verdrukking in Egypte.
- Boter
Het vette zuivelproduct dat uit gekarnde melk ontstaat en aan gasten wordt voorgezet. Beken van honing en boter tekenen overvloed; gladde woorden worden ermee vergeleken.
- Brood
Het dagelijkse basisvoedsel, gebakken van meel en water. Gods Woord gebruikt brood ook als beeld van levensonderhoud, van gemeenschap aan tafel en van Christus zelf.
- Drank en sterke drank
Alles wat gedronken wordt, en in het bijzonder de sterke drank die telkens naast wijn wordt genoemd. Priesters in dienst en nazireërs moeten zich ervan onthouden; de profeten hekelen wie er de dag mee vult.
- Drankoffer
De wijn die bij het brandoffer en het voedseloffer werd uitgegoten. Paulus gebruikt het beeld voor zijn eigen leven dat als drankoffer wordt uitgestort.
- Druiven
De vrucht van de wijnstok, vers gegeten en tot wijn geperst. De trossen uit Eskol tonen de vruchtbaarheid van het land; wilde of onrijpe druiven staan voor bedorven opbrengst.
- Gallewater
Bitter, giftig water dat samen met alsem het beeld vormt van oordeel en ellende. Bij de kruisiging wordt Jezus azijn met gal vermengd aangeboden.
- Gebraden spijs
Voedsel dat boven vuur werd geroosterd. Zo moest het paaslam worden toebereid, en zo eet de opgestane Jezus met zijn leerlingen.
- Gekookte spijs
Voedsel dat in pot of pan werd gaargekookt, van de soep van Jakob tot het offervlees van de priesters. Het paaslam mocht juist niet gekookt worden.
- Gerecht
Een klaargemaakte schotel, toebereid voor een gast of voor een vader. Spreuken stelt een schotel groente met liefde boven een gemest rund met haat.
- Gerst
Het goedkopere broodgraan van armen en van vee, dat eerder rijpt dan tarwe. Van gerst zijn de broden gebakken die bij de spijziging van de menigte worden uitgedeeld.
- Gevogelte
Eetbare vogels, in de wet onderscheiden in rein en onrein. Ze worden geofferd door wie zich geen groter dier kan veroorloven en verschijnen op de tafel van Salomo.
- Granaatappels
De pitrijke vrucht die ook tot sap werd geperst en die tot de gewassen van het beloofde land wordt gerekend. Haar vorm keert terug als versiering aan de priesterrok en aan de tempelzuilen.
- Het gemeste kalf en gemest vee
Vee dat opzettelijk werd vetgemest voor een feestmaal of een offer. Het gemeste kalf wordt geslacht bij de thuiskomst van de verloren zoon en staat zo voor onverwachte vreugde.
- Honing
Het zoetmiddel bij uitstek, uit raten van wilde bijen gewonnen. Met melk verbonden aan de rijkdom van het land en beeld van wat zoet is aan Gods woorden; te veel ervan wordt afgeraden.
- Kaas
Gestremde melk, meegegeven als proviand en als geschenk aan legeraanvoerders. Job gebruikt het stremmen van kaas als beeld voor zijn eigen wording.
- Kalf
Het jonge rund, geslacht voor gasten en voor offers. Het gouden kalf en de kalveren van Bethel maken het woord ook tot aanduiding van afgodendienst.
- Koeken en broodkoeken
Platte, op hete stenen of in de pan gebakken broodjes, soms met olie aangemaakt. Ze komen voor bij offergaven, bij gastvrijheid en bij het eten dat een engel voor Elia neerlegt.
- Komkommers, pompoenen, look en uien
De groenten waarnaar Israël in de woestijn terugverlangde en die in Egypte voor niets te eten waren. De komkommerhof met zijn wachthut keert bij de profeten terug als beeld van verlatenheid.
- Koren en graan
Het gedorste graan dat tot meel werd gemalen en dat samen met wijn en olie de kern van het levensonderhoud vormde. Geroosterd koren werd ook zonder verdere bewerking gegeten.
- Kruiden en moeskruiden
Eetbare kruiden en groenten van veld en tuin, het armelijkste maal dat er is. Wie zwak is in het geloof eet volgens Paulus alleen moeskruiden.
- Kwartels
De trekvogels die in de woestijn bij het legerkamp neerstreken en Israël het vlees gaven waarom het had gevraagd.
- Lam
Het jonge schaap dat als paaslam werd gebraden en gegeten en in de offerdienst dagelijks werd gebracht. In het Nieuwe Testament wordt Christus het Lam genoemd.
- Manna
Het fijne, korrelige voedsel dat Israël veertig jaar lang in de woestijn met de dauw ontving. Het heet brood uit de hemel en wordt door Jezus verbonden met het brood van het leven.
- Meel, meelbloem en deeg
Gemalen graan en het daaruit gekneede deeg. Meelbloem is de fijnste zeving en wordt voor het voedseloffer voorgeschreven; van het deeg moesten de eerstelingen worden afgezonderd.
- Melk
De melk van kleinvee en koeien, samen met honing het beeld van het beloofde land. In het Nieuwe Testament staat melk voor het eerste onderwijs tegenover vast voedsel.
- Moes, linzen en linzenmoes
Gestoofde peulvruchten en groente uit de pot, eenvoudige kost. Voor een schotel linzenmoes verkocht Ezau zijn eerstgeboorterecht.
- Nieuwe wijn
De jonge, pas geperste wijn, die met koren en olie de opbrengst van het land aanduidt en aan priesters en tienden toevalt.
- Olie
De uit olijven geslagen olie waarmee gebakken en aangemaakt werd en die met koren en wijn de drie vaste opbrengsten van het land vormt. Dezelfde olie dient voor lamp en zalving.
- Olijven
De vrucht waaruit olie werd geslagen en die ook zelf werd gegeten. Het treden van olijven zonder er zelf van te genieten geldt bij de profeten als vloek.
- Ongezuurd brood
Brood dat zonder zuurdesem is gebakken en daardoor plat blijft. Het hoort bij het pascha en het feest van de ongezuurde broden, en bij offergaven die geen gisting mogen bevatten.
- Rozijnen
Gedroogde druiven, tot klompen geperst en als houdbaar reisvoedsel meegenomen. Ze horen bij de voorraden die Abigaïl en anderen aan David brengen.
- Specerijen
Geurige plantendelen die aan wijn, spijs, zalfolie en reukwerk werden toegevoegd. Ze golden als kostbare handelswaar en als koninklijk geschenk.
- Spelt en gierst
Twee nevengranen naast tarwe en gerst. Ezechiël moet ze met andere zaden tot een noodbrood samenmengen als teken van gebrek.
- Tarwe
Het voornaamste broodgraan, fijner en duurder dan gerst. De tarweoogst markeert de zomer, en het uitzeven van tarwe wordt een beeld van beproeving.
- Toonbrood
De broden die op de gouden tafel in het heiligdom voor Gods aangezicht lagen en daarna alleen door de priesters gegeten mochten worden. David at ervan in nood, en Jezus verwijst daarnaar.
- Vijgen
De zoete vrucht van de vijgenboom, vers gegeten of tot klompen geperst als houdbaar proviand. Goede en slechte vijgen in manden worden bij Jeremia een beeld van twee groepen ballingen.
- Vis
Gevangen en gedroogde of gebraden vis, alledaags voedsel rond het meer van Galilea. Vijf broden en twee vissen voeden de menigte, en de opgestane Jezus eet vis met zijn leerlingen.
- Vlees
Het vlees van geslachte dieren: feestelijk voedsel dat lang niet dagelijks op tafel kwam en aan reinheidsregels gebonden was. Hetzelfde woord duidt in Gods Woord ook de sterfelijke mens aan.
- Voedsel, spijzen en leeftocht
De algemene aanduidingen voor eten en proviand, van de mondvoorraad op reis tot de spijzen op een koningstafel. Ook Gods zorg en zijn woord worden als voedsel getekend.
- Voedseloffer
Het offer van meelbloem met olie en wierook, gebakken of in de pan bereid, dat naast de dieroffers werd gebracht. Een deel ging in rook op, de rest was voor de priesters.
- Water als drank
Water als eenvoudigste drank, met brood het rantsoen van gevangenen en reizigers. Levend water wordt daarnaast beeld van wat God zelf te drinken geeft.
- Wijn
De gegiste drank uit druiven, bij maaltijd, feest en offer. Gods Woord prijst wijn als gave die het hart verheugt en waarschuwt tegelijk tegen dronkenschap; ook de beker van Gods toorn wordt als wijn getekend.
- Zout
Het bewaar- en smaakmiddel dat bij elk voedseloffer gestrooid moest worden en dat het zoutverbond bezegelt. Jezus noemt zijn leerlingen het zout van de aarde.
- Zuurdeeg en zuurdesem
Gerezen deeg dat een nieuw baksel doet gisten. Bij het pascha moest het uit huis, en in het onderwijs van Jezus en Paulus staat het voor iets kleins dat het geheel doortrekt, ten goede of ten kwade.