Davids boetgebed (Psalm 51)
Het opschrift zet het gebed op zijn plaats: “Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan” (vers 2). David vraagt niet om verzachting maar om reiniging: “Was mij wel van mijn ongerechtigheid” (vers 4) en “Schep mij een rein hart, o God!” (vers 12). En hij weet wat God wél aanneemt: “De offergaven Gods zijn een gebroken geest” (vers 19).
Deze toelichting is nog niet door mensen nagekeken. Controleer de gekoppelde tekst en de bronverantwoording.
Vindplaatsen in Gods Woord
1 gekoppelde verzen.